Alumni-interview: Philippe Remarque

Gepubliceerd op 20 januari 2026 om 18:53

Philippe Remarque is directeur journalistiek bij DPG media, de uitgever van kranten zoals het Algemeen Dagblad, Trouw en de Volkskrant. Van die laatste krant was hij 9 jaar hoofdredacteur. Maar ook oud-leerling van Stedelijk Gymnasium Haarlem. Op 12 februari geeft Remarque een Sted Talk over journalistiek en jongeren. Wat voor jongere was hij zelf? En wat heeft het Stedelijk bijgedragen aan zijn ontwikkeling tot wie hij nu is?

Wanneer zat je op het Stedelijk en wat typeerde die periode voor jou? In wat voor tijd en sfeer speelde jouw schooltijd zich af?

'Ik zat op het Stedelijk van 1978 tot 1984. De leraren waren deels nog van het oude stempel, zoals mevrouw Bientjes die ons Duits gaf, en deels seventies-alternatief, zoals de wiskundeleraar die wij Erik mochten noemen. Het was heel gezellig en leraren en leerlingen gingen vrij met elkaar om. Ik en vele anderen waren min of meer bevriend met een paar leraren en kwamen er wel eens thuis. Op het zesde klas-kamp heb ik gezoend met een lerares. '

'Het was de tijd van punk en disco, en de wat uitgesprokener leerlingen waren verdeeld in kampen: enerzijds de hockey-kinderen met polo-shirts en collegeshawls die van disco hielden, anderzijds de alternatievelingen die toneel speelden en palestijnensjaals droegen, van punk, new wave en ska hielden en blowden in het tempeltje. Met hen ging ik om. In het Melkwoud, een bruine kroeg in de Zijlstraat, brachten we avonden en nachten door met humor, drank, shag en pretentieus gezwets. Een hockeyjongen uit mijn klas noemde ons smalend ‘de che’s’, naar Che Guevara. Maar het leuke was dat die groepen in de hogere klassen weer goed met elkaar konden opschieten, we waren toch allemaal kinderen van het Stedelijk.'

Wat heeft het Stedelijk betekend voor je persoonlijke en intellectuele ontwikkeling?

'Alles. Ik wilde naar het Coornhert-lyceum omdat mijn beste vriend er naar toe ging maar mijn moeder zei: ‘Als er één school is die gemaakt is voor kinderen als jij, dan is dat het Stedelijk (mijn broer zat er al op). Ik zet nog één keer mijn ouderlijk gezag in.’ Ik mopperde, maar moest haar al na een paar weken gelijk geven. Het was heerlijk. De betere leraren wijdden ons meeslepend in in de kunsten, geschiedenis en literatuur (ik was een rasechte alfa, deed eindexamen in zes talen en geschiedenis en ging daarna Russisch studeren). De reizen naar Rome en achter het IJzeren Gordijn maakten diepe indruk op me. De medeleerlingen en vrienden droegen ook enorm bij aan mijn intellectuele vorming, met muziek, films en boeken. En ik heb er mijn latere vrouw ontmoet, Sylvia Witteman. Die werd al snel van school getrapt maar bleef in onze vriendenkring.'

 

Is er een anekdote die je graag vertelt over het Stedelijk?

'Ik herinner me dat ik een brutaal mannetje was die het de leraren soms moeilijk maakte. Eigenlijk schaam ik me daarvoor. Ik vind die mensen achteraf zo ontroerend, zoals de lieve mevrouw De Buck van Frans die op een oude bandrecorder liedjes van George Brassens liet horen aan ons ongeïnteresseerde pubers. Leraren doen iets geweldigs voor onze samenleving. De voor mij indrukwekkendste gebeurtenis was mijn hoofdrol in de grote toneelproductie Peer Gynt onder leiding van regisseur Elias van Zanden (heb ik ook al begraven). Ik ervoer hoe mooi theater is en hoe spannend het is om in het middelpunt te staan. Ik was best verlegen met meisjes, maar nu vonden ze mij cool. Ik besloot acteur te worden, maar werd bij de toneelschool meteen afgewezen.'

 

Welke docenten hebben een blijvende indruk op je gemaakt, en waarom?

'Berend van Haard heeft mij op onnavolgbaar intellectuele wijze alle ins en outs van Latijn bijgebracht, zodat ik een paar jaar geleden nog feilloos mijn zoons kon helpen met Horatius, Tacitus en Cicero. Lodewijk Wiener heb ik zes jaar voor Engels gehad, geweldige leraar. Maar het meest ben ik beïnvloed door Bonno van Dijk, de leraar geschiedenis die lesgaf over Napoleon in een Napoleon-pak en op de tafel sprong om Hitlers rede in het Sportpalast te reproduceren. Hij nam ons mee naar de DDR en Praag en wist zo bevlogen over de (Koude) oorlog te vertellen.  We raakten bevriend en na het eindexamen ben ik nog op reis gegaan naar verschillende Oostblok-landen met hem en een groep klasgenoten. Mijn eerste baan was Moskou-correspondent. Bonno kwam me opzoeken en we zijn samen naar een oud stalinistisch strafkamp in de Poolcirkel gereisd.'

 

Hoe kijk je nu, vanuit je huidige positie, terug op je middelbareschooltijd en het onderwijs in het algemeen?  Denk je dat het Stedelijk van invloed is geweest op jouw keuze voor de journalistiek?

'Het is voor mij al met al heel vormend geweest. Zonder het Stedelijk was het vast ook goed gekomen, maar de heel bijzondere sfeer heeft mij voor het leven getekend. Mijn belangstelling voor de wereld is er gewekt. De zaken waar Bonno en andere leraren en vrienden me in inwijdden, hebben mij zeker in de richting van Russisch en journalistiek gebracht.'

 

Welke rol zou onderwijs volgens jou in de toekomst moeten spelen, en wat hoop je dat scholen leerlingen meegeven voor de wereld van morgen?

'Ik hoop natuurlijk dat dat overspringende vonkje altijd blijft bestaan, of het nou bij techniek-onderwijs op het VMBO of bij Grieks op het gymnasium is. Dat is de kern: inwijding, inspiratie. Zodat leerlingen in aanraking komen met voor hen nieuwe dingen waarvan ze niet wisten dat ze er belangstelling voor zouden kunnen hebben. Ik hoop ook zeer dat scholen kinderen helpen om zich staande te houden in de moeilijke, gepolariseerde wereld van nu. In het tijdperk van smartphones, sociale media en AI moeten we zuinig zijn op onze samenleving en democratie. Daar kunnen scholen een belangrijke rol in spelen.'